wat niet deert

Hoe ver zou jij gaan om je familie te beschermen?

Vanaf 1 maart 2022 te koop.
Reserveer hem nu alvast bij
LIBRIS

Dertien jaar na de plotselinge verdwijning van hun moeder brengen drie volwassen kinderen en hun verwarde, aan geheugenverlies lijdende vader de herfstvakantie door in de Achterhoek. Het plan is om te inventariseren wat er moet gebeuren met het verwaarloosde familiebezit, een zomerhuis in de buurt van de Leemputten bij Groenlo. De plek roept bij alle gezinsleden herinneringen op, en daar zit niet iedereen op te wachten.

Al snel wordt duidelijk hoe funest het verdwijnen van de moeder is geweest voor de onderlinge verhoudingen binnen het gezin; met het vorderen van de vakantie nemen de spanningen toe. Ieder heeft zo zijn eigen idee over wat er destijds is gebeurd. Is het altijd beter om de waarheid te kennen, of kunnen sommige dingen beter verborgen blijven?

 

Leesfragment:

De vochtplek in het plafond boven mijn bed is de laatste jaren niet groter geworden. Het ding heeft nog steeds de vorm van een hondenkop: een lange snuit, twee spitse oortjes. Daar waar het linkeroog van de hond zou zitten, is de vlek iets donkerder. Ik herinner me dat ik er op die zomeravond naar lag te staren toen mijn moeders telefoon ging. Ze nam niet op. Een mug zoemde om mijn hoofd. Om te stikken zo heet was het. ‘Papa?!’ riep ik. ‘Er zit een mug!’
Er kwam geen antwoord. Alleen de ringtone van haar telefoon was hoorbaar. Het was alsof de hondenkop me vriendelijk aanmoedigde. Toe maar, wees niet bang, ga maar kijken. Ik was zes. Ik gooide de lakens opzij en zag, in de spiegel op de kastdeur, mezelf in mijn nieuwe pyjama. Roze, met dansende paardjes. Van mijn mama gekregen, die de hele middag de stad in was geweest en helemaal vergeten ook iets te eten mee te nemen. Papa had zich enorm opgewonden, mijn altijd zo kalme papa met de zachte stem had tegen haar geschreeuwd. Heel even was ze stilgevallen, wat me de moed gaf haar de pyjama in handen te drukken en te zeggen dat ik die blauwe had gewild met de Transformers erop, en niet die stomme paardjes. Tot mijn schrik trok papa toen heel hard aan mijn oor en ik moest meteen naar bed, in mijn nieuwe pyjama en zonder eten. Maar ja, er was toch niks in huis.
De telefoon bleef maar gaan.

De hor was omhoog geschoten, zag ik, en net toen ik in de vensterbank wilde klimmen om hem dicht te doen, zag ik mama. Ze leunde buiten tegen de schuur en rookte een sigaret. Zelfs vanaf die afstand kon ik de afdruk zien van de rode lippenstift.
‘Dus,’ hoorde ik haar zeggen, ‘ga ik weg.’
Tegen wie had ze het? Ik hoorde een kuchje en zag toen mijn vader pas, bij de struik met de dorre takken, zijn schouders hoog opgetrokken.  ‘Ik kan er niet meer tegen,’ zei ze. ‘Het heeft voor mij geen zin meer.’ Ze liet de sigaret op de grond vallen en stampte hem driftig met een hoge hak het gras in. ‘Ik ga nu afscheid nemen van het kind.’
Ik deinsde achteruit, weg van het raam. Papa riep haar iets na over de kinderen. Kinderen waar ze aan moest denken. Ik begreep het niet, waarom moest ze aan kinderen denken?

 

schrijver / journalist