Diepe gronden

Er zijn meerdere manieren om de weg kwijt te raken in de wildernis

 Verschijnt 2 februari 2023. Reserveer nu alvast een exemplaar

Als Laura na achttien jaar weer contact krijgt met haar Roemeense jeugdvriendin Gabi is ze opgetogen, en ze gaat dan ook graag in op haar uitnodiging om die zomer langs te komen in Roemenië. Het idee is om onder andere een paar dagen te wandelen in het ruige berggebied van de Karpaten en Gabi heeft er geen bezwaar tegen als een vrouw uit Laura’s vriendenkring, Martine, ook meegaat.

De eerste dag en avond verlopen volgens plan, maar de volgende ochtend is Gabi ineens spoorloos verdwenen. Is ze uit vrije wil zonder een woord vertrokken? Of is er iets met haar gebeurd?

Al snel blijkt dat Laura en Martine op eigen houtje de bewoonde wereld moeten zien te bereiken, maar helaas is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Ze krijgen te maken met voedsel- en watertekort en onaangename ontmoetingen in de wildernis. Gaandeweg raken ze lelijk de weg kwijt, en niet alleen in letterlijke zin…

Leesfragment:

Gelijktijdig slapen is een luxe die we ons niet meer kunnen permitteren. Ik neem de eerste wacht en Martine gaat de tent in. Ze mompelt iets wat ik niet kan verstaan, maar dan slaakt ze ineens een ijselijke kreet.
     Ik spring overeind, buig me naar de tentopening en zie Martine achterover tuimelen. Ze maakt een soort koprol en komt naar buiten. Er beweegt iets op het grondzeil. Het kronkelt en volgt Martine naar buiten. Een slang. Een slang! Hij richt zijn kop op en ik kijk recht in een roodbruin oog met een verticale pupil. Het kampvuur weerspiegelt erin, wat hem, samen met de schubben boven de ogen, een kwaadaardig, bijna duivels uiterlijk verleent. Twee, hooguit drie seconden kijken we elkaar aan, dan is hij weg. Langs de zijkant van de tent kronkelt hij het bos in.
          Ik adem uit en draai me om. ‘Martine! Is alles goed?’
         Martine zit op haar knieën bij het vuur en inspecteert haar onderarm. Ze is stil.
        ‘Hij is weg,’ zeg ik. ‘Hij is in het bos verdwenen.’ Ik meen iets vlekkerigs op haar huid te zien, maar het kan ook schaduw zijn.
        ‘Ben je gebeten?’
        Ze antwoordt niet. In plaats daarvan knijpt ze in haar onderarm.
        ‘Ben je gebeten?’ herhaal ik. Ik hurk naast haar neer. Als ze nog niet reageert, leg ik mijn hand op haar schouder. ‘Martine?’
        ‘Pak een doek,’ zegt ze, volkomen rustig. ‘Dus hij is weg? Weet je het zeker?’
        ‘Hij is in het bos verdwenen,’ zeg ik opnieuw. Ik kijk naar de ingang van de tent. Een van de flappen lijkt te bewegen. Misschien zitten er nog meer slangen. Maar dat zou wel heel toevallig zijn, slangen lijken me solitaire beesten. Dus verman ik me, ga op handen en knieën naar binnen en trek mijn rugzak naar buiten. Ik pak een stok van de houtstapel en sla ermee op de rugzak. Er komt geen slang tevoorschijn. Ik trek het klittenband los en vis er een theedoek uit.
        ‘Bind mijn arm af,’ gebiedt Martine, naar een plek net boven haar elleboog wijzend.
        Nee, niet zo strak, dan sluit je de bloedtoevoer af. En ook weer niet te los, dan helpt het niet. En nu spoelen met water en zeep. Uit een flacon.’
        ‘Ik heb geen flacon bij me, alleen een tablet.’
        ‘Ik wel. Eerste vak linksboven.’
        Opnieuw ga ik de tent in, deze keer om haar rugzak naar buiten te halen. Ik herhaal de actie met de stok. Ook nu geen slangen of ander ongedierte.
        Martine kijkt op. ‘Sluit de tent af,’ zegt ze.
        Ik doe wat ze zegt. Daarna haal ik de zeepflacon en een waterfles uit haar rugzak.
         ‘Eerst water,’ zegt Martine, ‘dan zeep, en daarna weer water.’
        Bijna de hele fles water gaat erdoorheen.
         ‘Zaklamp,’ zegt Martine.
        Als een verpleegkundige die voor het eerst assistentie verleent in de operatiekamer haal ik diep adem en pak met bevende handen de zaklamp.  Half en half verwacht ik dat ze nu ‘scalpel’ zal zeggen. Maar ze zegt: ‘Bijschijnen.’
        In de lichtcirkel van de zaklamp – wat een waardeloze batterij, het licht is nog heel zwak – zijn twee donkere puntjes zichtbaar tussen de haartjes op haar onderarm. Uit alle macht probeer ik de zaklamp stil te houden, ik wil niet dat Martine ziet hoe erg ik tril. De vreselijkste scenario’s trekken aan mijn geestesoog voorbij. Scenario’s waarin ik met een bewusteloze Martine op mijn rug door de wildernis strompel. Scenario’s waarin ze stuiptrekkend sterft. Of waarin ik haar onder de bladeren begraaf en in mijn eentje verder trek, waarna ik mezelf met de waslijn opknoop in een boom, de wilde dieren mij vinden en zich vervolgens aan mijn vlees tegoed doen.
        ‘Je had de tent niet afgesloten,’ onderbreekt ze de gruwelijke vertoning in mijn hoofd. ‘Je bent vergeten hem dicht te ritsen nadat je hem had opgezet.’
        Ik kijk haar aan. Ze heeft natuurlijk gelijk, maar al had ze ongelijk, dan nog zou ik haar niet tegenspreken. Ik mag dan evenveel verstand hebben van slangen als van het higgsdeeltje, wat ik wél weet is dat haar bloedsomloop kalm moet blijven. Dus ze mag niet hardlopen, en ik kan maar beter geen paniek veroorzaken en al helemaal geen ergernis wekken.
        ‘Stom inderdaad,’ zeg ik. ‘Dat zal me niet weer overkomen.’ Op dezelfde droge toon die ze zelf aanslaat voeg ik eraan toe: ‘Moet ik die wond trouwens niet uitzuigen?’
        Tot mijn opluchting antwoordt ze: ‘Nee, dat heeft geen zin. Als hij gif heeft ingespoten, is dat al opgenomen door mijn lichaam. Het enige wat ik kan doen is mijn arm zo min mogelijk bewegen.’
        ‘Doet het pijn?’
        ‘Valt wel mee.’
        ‘Hoe… Hoeveel kwaad kan het?’
        ‘Ook dat valt denk ik wel mee,’ zegt ze. ‘Ik heb hem niet goed gezien, maar ik denk dat het een adder was.’
        Ik houd mijn handen een stuk uit elkaar. ‘Iets meer dan een halve meter lang, grijsachtig bruin met een zigzagpatroon. En een gemene blik had-ie.’
        ‘Dat laatste hebben alle slangen,’ zegt Martine. ‘Maar verder klinkt hij inderdaad als een adder. Volgens mij heeft hij ofwel zijn giftanden niet gebruikt, of hij heeft niet zo heel diep gebeten. Ik trok mijn arm heel snel terug en toen gleed hij er half langs. Misschien heb ik geluk.’
        Ik denk na, kan zo gauw geen manier bedenken om die vraag te verzachten en stel hem uiteindelijk maar gewoon: ‘Kan het dodelijk zijn?’

 

schrijver / journalist