leesfragment zachte heelmeesters

boek02



Op het moment dat ik aanstalten maakte om een hormoonspiraaltje in de baarmoeder van een jonge patiënte aan te brengen, ging de telefoon. Het geluid bereikte mijn oor zoals alle zintuiglijke ervaringen me de afgelopen maanden bereikten: omfloerst, vanuit een ander melkwegstelsel. Langzaam trok ik mijn hand met de eendenbek terug. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei ik tegen het meisje op de behandeltafel. ‘Het kan een spoedgeval zijn. Ik ben zo terug.’ Onderweg naar de spreekkamer trok ik de rubberen handschoenen uit. ‘Heleen?’ riep Friso al voordat ik mijn naam uit kon spreken. ‘Ik weet niet wat je aan het doen bent, maar ga even zitten.’ Daar was het dan, het bericht dat aan alles een einde zou maken. Aan de onzekerheid, maar ook aan de hoop. Ik tastte naar de armleuningen van mijn bureaustoel en liet me zakken. De stem van mijn ex-man klonk alsof iemand zijn strottenhoofd dichtkneep. ‘Mila is terecht.’ Seconden gingen voorbij. ‘Heleen? Ben je daar nog? Heb je me gehoord?’ Terecht. Mila terecht. Mijn kind. Nu kwam de zin waarin de naam van m’n dochter gecombineerd zou worden met de woorden ‘stoffelijk overschot’. ‘Ze leeft, Heleen!’ Friso’s stem brak. ‘Onze dochter leeft! Geef alsjeblieft antwoord.’ Er bewoog iets in het onderzoekskamertje. De patiënte kwam half overeind en bekeek de uitklapplaten van het menselijk lichaam die de muren in het kamertje opfleurden. Haar gebruinde benen zwaaiden nerveus heen en weer onder de onderzoekstafel. Ik opende mijn mond. Uit mijn samengeknepen keel ontsnapte een geluid. Een ongeolied scharnier. ‘Ik kom je halen,’ hoorde ik Friso’s stem van ver weg. ‘Blijf daar, het lijkt me beter dat je niet zelf gaat rijden.’ Zat hij in een vliegtuig? Waar kwam dat geraas in mijn oren vandaan? Ik legde de hoorn neer. Het geraas bleef. Het was mijn eigen bloed. Ik sloeg de handen voor mijn gezicht om ze meteen daarna weer op het bureaublad te laten vallen. Abrupt stond ik op. Mijn heup stootte tegen de punt van het bureau. De monitor wankelde en het fotostandaardje ervoor, een lachende Mila in innige omhelzing met haar gitaar, viel om. Half struikelend over mijn instrumententas rende ik het kamertje met de patiënte voorbij. Ik rukte de deur open en holde door de wachtkamer. Drie vrouwen keken op uit hun tijdschrift en Wilma, mijn assistente, boog zich over de balie. ‘Dokter Mendels! Heleen! Wat is er aan de hand? Waar ga je naartoe?’ riep ze me na. Ik gaf geen antwoord. Met een klap sloeg de deur van de praktijk achter me dicht.De agente bij de balie overhandigde Friso een pasje. ‘Rechercheur Wissink komt u zo halen, vergeet niet bij de glazen deuren het pasje te gebruiken, anders gaan alle alarmbellen rinkelen. U mag daar wel even plaatsnemen.’ Ze wees naar een cirkelvormig zitje met affiches vol adviezen aan de muur. De nummers die je in noodgevallen moest bellen, de beveiligingssystemen in je huis om ongewenst bezoek te weren. Friso ging zitten, ik bleef staan. We hoefden ons niet voor te stellen aan Herman Wissink. Hij had vanaf het begin de leiding over het onderzoek naar de vermissing van Mila gehad. Hij was ook degene die anderhalve maand geleden het opsporingsteam halveerde omdat alle sporen doodliepen en hij zijn mensen op andere plekken nodig had. Zoals desperate ouders van een stervend kind mij wel eens opdragen om het hele ziekenhuis te mobiliseren en een wonder te laten verrichten, zo had ik Wissink wel willen dwingen alle andere gevallen naar de achtergrond te schuiven. Maar natuurlijk kon hij niet anders dan prioriteiten stellen. Als een zaak verloren leek, stopte je er geen tijd meer in. Het vrat aan hem, maar hij had geen keus, had hij zich verontschuldigd. Ernstig schudde de dikke rechercheur ons de hand. Het was duidelijk dat hij geen voorbarige feeststemming wilde creëren. ‘Ik hoop dat we uw dochter hebben gevonden,’ zei hij, met de nadruk op ‘hoop’, terwijl we de twee trappen naar de afdeling Jeugd- en zedenzaken beklommen. ‘Volgens mij is ze behoorlijk van slag. Het lijkt erop dat ze zich helemaal niets herinnert van de afgelopen maanden.’ We liepen door de lange gang. De kamer aan het einde had een deur met een matglazen ruit. Ik was er nog nooit eerder geweest. ‘De meest huiselijke ruimte van het hele bureau,’ zei Wissink. Achter het matglas ontwaarde ik een donkere schim. Slechts een meter of twee scheidden mij van mijn dochter. Ik stak mijn hand uit naar de deurklink. ‘Moment nog.’ De rechercheur raakte mijn onderarm aan. ‘Misschien is het verstandig als u haar niet al te direct benadert. Geef Mila even de tijd… als ze het tenminste is.’ Ik zag hoe Friso zijn rug rechtte. Ik haalde diep adem, duwde de deur open en ging hem voor. Een zonnig Ikea-interieur. Diep in de blauw-geel geruite kussens van een bankje zat een in elkaar gedoken meisje. Lang, dof haar viel als een gordijn langs haar gezicht. Waar was de glanzende vlecht? Mijn hart drukte zwaar op mijn middenrif. Een dik, zwart vest en een ouwelijk aandoende, grijze rok. Puntige, blote knieën en kraakheldere sportschoenen zonder sokken. Gebogen hoofd. De handen met de palmen naar boven in haar schoot, haast meditatief. Twee stappen zette ik, drie, vier. Het meisje keek niet op. Bij de glazen salontafel bleef ik staan. Als ik voorover zou buigen, kon ik haar aanraken. Ik staarde naar de roze scheiding in het donkerbruine haar en schraapte mijn keel. ‘Mila?’ Langzaam richtte ze haar hoofd op. Grijze ogen in een smal, driehoekig gezicht. Onaards bleek en volkomen uitdrukkingsloos. Een kort, absurd moment dacht ik: dit is mijn dochter niet. Daarna was het alsof mijn benen me niet meer konden dragen. Ik zakte op mijn knieën en strekte mijn armen naar haar uit. Mila kromp ineen. Ze keek langs me heen. Niemand bewoog. Nutteloos hingen mijn armen in de lucht. Ik liet ze weer vallen. Friso was de eerste die zich aan de verstarring wist te ontworstelen. Was hij, net als ik, beducht voor dit vreemde, doorschijnende wezen? Hij ging naast onze dochter op de bank zitten. ‘Mila,’ zei hij schor, ‘dit is de mooiste dag van mijn leven.’ Daarna nam hij haar simpelweg in zijn armen. Ze liet het met afgewend gezicht toe, alsof het haar niet aanging. Als een zoutzak bleef ik er op mijn knieën bij zitten. De rechercheur maakte zich los van de achterwand. ‘Ik geloof dat ik wel even gemist kan worden,’ zei hij zacht. ‘Zal ik koffie voor jullie halen?’ Ik knikte op de vraag of ik er melk en suiker in wilde, ook al dronk ik mijn koffie sinds een half jaar zonder suiker. Voorzichtig kwam ik overeind en ging aan de andere kant naast onze dochter zitten. Ik pakte de benige vingers van mijn kind. Haar hand bleef als een aangespoelde krab in de mijne liggen, en ik beet op mijn lippen om niet uit te schreeuwen: Waar ben je geweest? Wat is er gebeurd? Hoe kom je zo mager? Waar zijn de sproetjes rond je neus? Waar zijn je oorpiercings? En van wie heb je die lelijke winterkleren? In plaats daarvan slikte ik en vroeg: ‘Hoe voel je je?’ Langzaam, alsof ze bang was dat ik mijn greep zou verstevigen, trok Mila haar hand uit de mijne en begon aan een korstje op haar knie te peuteren. Een vage glimlach speelde om haar lippen. Toen keek ze me recht aan. ‘Wel goed, geloof ik.’