leesfragment lichtval

boek03



Als een geknakte bloem lag Ellis op de stenen. Ik wist hoe ze daar was gekomen, maar mijn hersenen hadden besloten over te schakelen op de veilige modus en weigerden de consequenties van wat ik registreerde te overzien. Een van haar enkellaarsjes bevond zich een paar meter verderop in het gras.
Zei ik dat ze op de stenen lag? Dat is dan vooral mijn invulling achteraf: als ik me houd aan wat ik daadwerkelijk heb gezien, lag ze in het water. Het stormde, het hoosde al uren en het hield maar niet op. Rond haar lichaam spoelde water in zulke hoeveelheden dat de bakstenen volledig aan het zicht onttrokken waren. Hoe hoog is die vuurtoren eigenlijk? Vijftig, zestig meter? Doet het er wat toe?
Mijn broer Jules was op zijn knieën naast haar neergezonken en slingerde zijn wanhoopskreten de nacht in. Ik wilde tegen hem zeggen dat hij ermee op moest houden, dat zijn geschreeuw niet hielp. Er kwam alleen geen woord over mijn lippen, ik had geen idee welke spieren ik moest aansturen om te kunnen praten.
Ik probeerde me voor te stellen dat ze haar arm uitstrekte om iets buiten haar gezichtsveld te pakken, en dat ze haar nek helemaal verdraaide om te zien wat ze daar in haar hand had. Waarvoor ze zich in zo’n onmogelijke bocht had gewrongen. Het kon maar beter de moeite waard zijn, en ik besloot me daarop te concentreren. Het bleek een betekenisloze dennenappel te zijn die voorbijdreef en achter haar witte vingers was blijven haken.
De ondergrond dan maar. Modder en water. Stroming. De vuurtoren bleef lichtbanen uitwerpen boven ons, en het effect was hier beneden alsof je naar een haperende zwart-witfilm keek. Ik zag geen bloed. Ik hield mezelf voor dat het een goed teken was. Ik probeerde niet te denken aan de schedel van Ellis, en al helemaal niet aan eierschalen.
Ik knielde naast mijn broer neer. Achter me hoorde ik Masha door de plassen rennen. Abrupt kwam ze tot stilstand en bleef op ruime afstand staan. Ze riep iets, maar haar woorden werden door de storm uiteengerukt.
De mond van Ellis was gesloten. Haar ogen stonden wijd open. In de tere inham tussen haar sleutelbeenderen glinsterde modder. Ze is intact, zei ik in mezelf. Of misschien kon ik toch weer praten, want Jules klauwde zijn vingers in mijn onderarm en keek me smekend aan. Ook hij zei iets. Het ging over een telefoonnummer. Ik keek naar mijn stille, bleke zus. Het regende op haar gezicht. Het regende op haar porseleinen ogen.
‘Je moet knipperen, Ellis,’ zei ik, ‘knipper dan toch.’ De druk van Jules’ vingers op mijn onderarm nam toe. Bij nader inzien waren het misschien wel zijn nagels. De pijn was behoorlijk scherp. Weer brabbelde hij iets over een telefoonnummer. Ik ging er niet op in.
Masha wel. Ze klonk als een haan die niet meer wist hoe hij moest kraaien. Pas toen Jules zijn mobiele telefoon pakte en een nummer toetste, begreep ik dat het ‘één één twee’ was, dat ze maar bleef krijsen.
Later kwam er een ambulance.