FRAGMENT UIT "HET HART EN DE MOORDKUIL"

De maatschappelijk werkster van het transplantatieteam ontvangt haar in een naargeestig kamertje met een groot bureau. In de vensterbank staat een glazen vaas vol troebel water. Verbleekte bloemen hangen onpasselijk over de rand. De vrouw gaat aan haar bureau zitten en gebaart naar de stoel aan de andere kant.
‘Je vader was zeker wel blij om je te zien?’ vraagt ze vriendelijk.
‘Hij sliep half. Ik geloof niet dat hij gemerkt heeft dat ik bij hem heb gezeten.’
‘O. Dat kan gebeuren. Hij heeft natuurlijk al wat middelen gehad die hem kalm de operatie in laten gaan. Op het moment wordt hij geschoren. De chirurg, dokter Vleming, komt zo nog even om je een korte uitleg te geven over wat we gaan doen. Heb jij nog vragen?’
Louise schraapt haar keel. ‘Is het een goed hart?’
Nee, een afdankertje van een bejaarde Hells Angel.
‘Ja, een heel sterk hart. Van een jonge man die bij een motorongeluk is omgekomen. Hij was pas tweeëntwintig. Ze schikt een stapel papieren op het bureau, plooit een glimlach om haar lippen en kijkt Louise over de rand van haar bril aan.
‘Zie je ertegen op?’
‘Een beetje.’
De vrouw legt met een professioneel gebaar even haar hand op die van Louise en geeft haar een kneepje. Als ze vertrokken is bekijkt Louise de uitgebloeide bloemen, het grote bureau en de artsendiploma’s aan de muur. Haar vader krijgt een gezond hart. Ergens ligt nu een dode motorrijder met een gat in zijn borst en diepbedroefde familieleden aan zijn baar. Born to be killed.

Met een stapel dossiers onder zijn arm komt de chirurg het kamertje binnen.
‘Over harttransplantaties wordt altijd nogal heroïsch gedaan,’ komt hij gelijk ter zake nadat hij zich heeft voorgesteld en de mappen op het bureau heeft gelegd. ‘Allemaal flauwekul. De ingreep is technisch gezien een fluitje van een cent.’
Hij wordt onderbroken door een apparaatje dat piept in de zak van zijn witte jas. Hij werpt er een blik op en drukt op een knop, waarna hij het weer in zijn zak terug laat glijden.
‘Waar was ik gebleven?’ Hij kijkt op zijn horloge. ‘O ja, een transplantatie stelt dus niets voor. We zagen het borstbeen open met een zaagje dat op een elektromotortje loopt. Vervolgens knippen we het hartzakje open en halen het zieke hart eruit.’
Louise doet een stap achteruit. De chirurg glimlacht en gaat verder: ‘Intussen wordt het donorhart binnengebracht, het is ijskoud. Tussen de nul en vier graden Celsius. Maar past het altijd automatisch? zul je vragen. Goede vraag. Gelukkig is het weefsel flexibel, zodat je het meestal passend kunt krijgen. Maar je vader is een grote man, en zijn hart is vergroot omdat het ziek is. Het hart van een kleine, tengere vrouw kwam dus niet in aanmerking. We hebben dan ook op een donor met een vergelijkbaar postuur gewacht.’ Het apparaatje begint weer te piepen. Hij vist het uit zijn zak, drukt weer op de knop en legt het voor zich op het bureau. ‘Eigenlijk is alleen het verwijderen van de aortaklem een cruciaal moment. Soms zie je het donorhart voor je ogen paars worden en inzakken.’ Tongklakkend schudt hij zijn hoofd. ‘Dramatisch. Maar dat gebeurt niet zo vaak', voegt hij er snel aan toe.
Louise kijkt weer naar de muur met diploma’s. Misschien zijn ze vervalst. Bij de deur hangt een spiegel. Voordat ze het kamertje verlaten vangt ze een blik op van zichzelf. Zo wit als tandpasta.
De chirurg klopt op haar schouder. ‘Geloof me, meisje, zoveel stelt de operatie echt niet voor. Ik hoop dat ik je een hart onder de riem heb kunnen steken.’