Leesfragment:
1
Op het moment dat ik na een lange werkdag onder de douche vandaan kom, gaat de bel. Ik kijk op mijn horloge. Laurens is meer dan een kwartier te vroeg. Snel wikkel ik een handdoek om mijn haar, trek een badjas aan en glibber op natte voeten over het zeil door de woonkamer naar het halletje. Als ik de voordeur open, stroomt er een aangenaam zwoel avondbriesje naar binnen, dat niettemin kippenvel op mijn onderbenen veroorzaakt.
‘Hoe vroeger op de avond, des te…’ begin ik een zin die ik van plan was te eindigen met: ‘…lelijker volk’, tot ik zie dat het Laurens helemaal niet is. Er staat een in een grijze sweater gehulde man die me vaag bekend voorkomt. Ergens achter in de zestig, met een driedagenbaard en wallen onder zijn ogen, die op hun beurt ook weer wallen hebben.
‘Goedenavond,’ zegt hij met een rasperige stem. ‘Ik kom duidelijk niet op een gunstig tijdstip.’ Ondanks dit heldere inzicht blijft hij staan en steekt zijn hand uit. Aarzelend neem ik hem aan.
‘Friso Theunissen,’ stelt hij zich voor. ‘Neem me niet kwalijk dat ik u thuis overval, ik was van plan om morgen naar uw kantoor te komen, maar ik… Nou ja, ik weet eigenlijk niet wat ik dacht, ik wilde u gewoon zo spoedig mogelijk spreken. Ik meende me te herinneren dat u vroeger bij mijn dochter in de klas zat en ik haar hier ooit bij het vakantiehuisje van uw familie heb afgezet toen u een feestje gaf. Ik dacht dat u hier misschien nog steeds de zomer zou doorbrengen en de beheerder van dit park bevestigde dat toen ik hem ernaar vroeg.’
Als ik hem glazig aankijk, zegt hij: ‘U bent toch Isabel Clement? Privédetective?’
‘Eh… ja.’
‘U hebt een goede reputatie en ik hoorde dat u regelmatig met de politie samenwerkt.’
‘Dat is prettig om te horen,’ zeg ik. ‘Maar…’
‘Maar,’ onderbreekt hij me, ‘ik zal u niet langer storen en ik bel u morgen wel om een afspraak te maken.’
‘Waar wilt u me over spreken?’ vraag ik, ondanks mezelf nieuwsgierig.
‘Het gaat over mijn dochter, Mila. U hebt op de middelbare school bij haar in de klas gezeten. Klopt dat?’
‘Mila,’ peins ik hardop. ‘O, Mila Theunissen?’ Dat klonk niet bijster intelligent tegenover iemand die zojuist zowel zijn eigen achternaam als de voornaam van zijn dochter heeft genoemd, maar hij reageert er niet op en knikt ernstig.
‘Het is bijna twintig jaar geleden.’
‘Ja, ik herinner me Mila nog.’
‘Bent u op de hoogte van wat er toen allemaal met haar is gebeurd?’ vraagt hij.
Het lijkt me stug dat van de vijfduizend inwoners die Oosterveen telt er ook maar één volwassene niet op de hoogte is van wat Mila is overkomen; sterker nog, ook de landelijke kranten hebben destijds verslag gedaan van het absurde experiment waaraan ze werd onderworpen door een geflipte psychiater. Hij ontvoerde haar en hield haar drie maanden gegijzeld in zijn kelder. Tijdens zijn proces beweerde hij haar niet te hebben gegijzeld om perverse redenen, maar in het kader van een wetenschappelijk experiment. Hij deed onderzoek, beweerde hij, naar de mate waarin een slachtoffer van ontvoering sympathie zou kunnen gaan voelen voor de gijzelnemer, oftewel naar het zogeheten stockholmsyndroom. Geen perverse redenen? Die toevoeging maakte de man in mijn ogen alleen maar griezeliger. Hoe heette hij ook alweer? Lind? Van der Linden? De zaak was het gesprek van het jaar geweest, zeker op onze school. Niet alleen omdat we Mila persoonlijk kenden, maar ook omdat zoiets in het doodsaaie Oosterveen zomaar kon gebeuren. Het proces riep herinneringen op aan het Oostenrijkse meisje dat een jaar daarvoor aan haar gijzelnemer was ontsnapt. Die twee zaken werden in de media ook aan elkaar gelinkt. En nu, negentien jaar na dato, staat de vader van Mila op mijn stoep.
‘Ik herinner me Mila heel goed,’ zeg ik. ‘Hoe…’
‘Ze is alwéér verdwenen,’ onderbreekt hij me, met een van wanhoop vervormde stem. ‘De psychiater, haar gijzelnemer, komt na achttien jaar op vrije voeten en kort daarop wordt onze dochter weer vermist. Het is toch niet te bevatten? Gelooft u in toeval?’
‘Eh…’
‘De politie wel,’ zegt hij bitter. ‘Ze hebben drie weken de tijd gehad om hem te arresteren, maar hij loopt nog altijd vrij rond.’
Ik ril in mijn badjas. Theunissen ziet het en glimlacht verontschuldigend. ‘Maar goed, zoals gezegd, ik bel u morgen voor een afspraak.’ Over mijn schouder werpt hij een blik op het interieur. ‘Woont u hier eigenlijk permanent?’
‘Zeg alsjeblieft gewoon “jij”. En ja, ik woon hier permanent. Het is het oudste vakantiehuisje op het park, mijn ouders hebben het in de jaren negentig gekocht. De andere huisjes zijn pas later gebouwd.’
Hij laat zijn ogen over de veranda en de voorgevel gaan, waarop de tekenen van recente waterschade zichtbaar zijn. ‘Het is heel… karakteristiek,’ zegt hij tactisch.
Ik onderdruk de neiging verantwoording af te leggen over de staat van de woning. Er valt een stilte en hij haalt een hand door zijn dunnende haar. ‘Zou je me alsjeblieft willen helpen Mila terug te vinden? De politie doet weinig. Ik vraag me zelfs af of ze die gestoorde idioot wel hebben verhoord.’
‘Ze doen er vast alles aan om haar terug te vinden,’ zeg ik.
Hij maakt een wegwerpgebaar. ‘Misschien doen ze hun best. Maar naar mijn zin is dat te weinig. Uit ervaring weet ik dat ze niet het hele korps op de verdwijning van Mila zetten.’ Hij spreidt zijn handen. ‘Begrijp me goed, ik neem het ze niet kwalijk. In Oosterveen is minstens zoveel criminaliteit als in elke andere provinciestad en de rechercheurs met wie ik sprak leken me heel professioneel.’
Alsof de duvel ermee speelt zie ik via het zijraam Laurens in de verte langs de slagboom het terrein op lopen op zijn helwitte sneakers, met zijn ribjasje nonchalant over zijn schouder. De avondzon legt een rossige gloed over zijn lichtblonde haar. Ik rond het gesprek af met: ‘Ik krijg zo bezoek. Maar bel me inderdaad morgen, dan maken we een afspraak.’
Theunissen knikt. ‘Nog één ding,’ zegt hij. ‘Zou je discreet te werk willen gaan? Ik wil niet dat de pers hier lucht van krijgt. Voordat je het weet staat het hele land weer op de kop.’
Hoewel ik soms betwijfel of mensen hun prioriteiten wel op orde hebben als ze de pers buiten een vermissingszaak willen houden, begrijp ik het in dit geval wel. En zelfs als ik het niet zou begrijpen, zou ik zijn wens respecteren. ‘Natuurlijk,’ antwoord ik.
Over het met beukenhagen omzoomde pad loopt Theunissen even later de tuin uit. Ter hoogte van het speeltuintje komen Laurens en hij elkaar tegen. De afstand is te groot om te horen of ze iets zeggen, maar ze zijn zich duidelijk bewust van elkaar, en Laurens draait zich om als hij hem al gepasseerd is. Peinzend kijkt hij Friso Theunissen na.